HET HESS-ORGEL IN DE OUDE KERK TE ROTTERDAM-CHARLOIS

( Tekst: KLAAS BOLT )

 

 

 HISTORIE

Het orgel in de Hervormde Kerk te Rotterdam-Charlois werd in het jaar 1784 gebouwd door de orgelmaker Hendricus Hermanus Hess te Gouda. Nadat het in de werkplaats te Gouda was goedgekeurd door de Haarlemse Bavo-organist J. Hadeker werd het naar de kerk overgebracht, alwaar het wegens het overlijden van de schenker, ambachtsheer Dirk de Man, drie jaar onbespeeld isgebleven en eerst in 1787 is ingewijd

 Het orgel bezat de volgende dispositie (overgenomen uit: Boekzaal der geleerde wereld):

 

Manuaal of Hoofd-Clavier:

Praestant

8 voet

54 pypen

Bourdon

16 voet

54 pypen

Holpyp

8 voet

54 pypen

Praestant

4 voet

54 pypen

Nagthoorn

4 voet

54 pypen

Flajolet

1 voet

54 pypen

Quint

3 voet

54 pypen

Cornet

6 St. Disc.

180 pypen

Sexquialter

2 en 3 St.

138 pypen

Mixtuur

2 en 3 St. Bas

96 pypen

Mixtuur

5 St. Disc.

150 pypen

Trompet

8 voet  Bas

24 pypen

Trompet

8 voet  Disc.

30 pypen

 

 

996 pypen

 

 

 

Bovenwerk

Praestant

4 voet (8 vt. disc.")

54 pypen

Holpyp

8 voet

54 pypen

Fluyt

4 voet

54 pypen

Praestant

2 voet

54 pypen

Quintfluyt

3 voet

54 pypen

Sexquialter

2 St. Disc.

60 pypen

Carllion

2 St. Disc.

60 pypen

Carllion

2 St. Bas

48 pypen

Voxhumana

8 voet

54 pypen

Tremulant

 

 

1434 pypen
die alle aanspreken

Ventil voor ’t ganse Werk.

 

 

 

“By dit Orgel zyn 3 Blaasbalgen, 8 voet lang en ruim 4 voet breed, de Handclavieren loopen van groot C tot 3 gestreken F, de platte toetzen zyn wit Yvoor en de verheeven toetzen zwart Ebbenhout; voorts is het behalven een aangehangen Pedaal nog voorzien van een gehalveerde koppeling, welke zo is geplaatst, dat men al speelende dezelve kan verzetten. Dit Orgel heeft nog die eigenschap, dat men zonder een Clavier te veranderen Forte en Piano kan speelen. Dit deftig Orgel geeft een zeer luisterryke vertooning, wyl'er niets aan is gespaard, het welk tot nut of sieraad van 't zelve kon verstrekken .... “

In 1832 werd het bovenmanuaal door Joachim Reichner te 's Gravenhage gewijzigd. Zo werden de registers Sexquialter en Carillon vervangen door 8-voets registers in de discant.

Toen in 1867-1868 de oude kerk werd vervangen door het huidige neo-gotische kerkgebouw werd het orgel daarin overgeplaatst en grondig gerestaureerd door de firma Van den Haspel, Schölgens en Van der Weyden te Rotterdam.

Deze maakten voor het bovenwerk een nieuwe (grotere) lade met de volgende dispositie:

 

Holpijp

8 voet

(oud)

Baardpijp

8 voet

(nieuw)

Viool de G.

8 voet

(nieuw)

Fluit

4 voet

(oud, later door Standaart vervangen door een Voix Céleste)

Praestant

4 voet

(nieuw/oud: de verschoven Preastant 8 vt. discant van Hess)

Woudfluit

2 voet

(pijpwerk van onbekende herkomst, alsmede enkele pijpen uit de Cornet van Hess)

 

Dit nieuwe bovenwerk werd boven de hoofdwerkslade gelegd (Het bovenwerk van Hess moet een dwarswerkje zijn geweest). Hiertoe moest de klaviatuur en de traktuur grotendeels worden gewijzigd of vernieuwd. Teneinde voldoende ruimte en hoogte voor dit bovenwerk te vinden werden de volgende wijzigingen in de samenstelling van het hoofdmanuaal aangebracht: De pijpen van het klein octaaf van de Bourdon 16 voet werden zijdelings verplaatst naar de ruimte die door de Cornet discant werd ingenomen. Deze Cornet moest op zijn beurt naar achteren op de lade worden overgeplaatst (en werd tevens minder sterk gemaakt). 

Hierdoor vond een hergroepering van de hoogste registers plaats: de Sexquialter en de Flageolet 1 voet vervielen en de Mixtuur werd verplaatst, waarbij tevens zijn samenstelling werd gewijzigd. De open Nachthoorn 4 voet werd vervangen door een -kortere ¬gedekte Fluit 4 voet. De toonhoogte (voordien de lage 18e eeuwse kamertoon) werd met een halve toon verhoogd door opschuiving en verkorting van pijpwerk. De drie blaasbalgen van Hess werden vervangen door een grote magazijnbalg met pompinstallatie.

Begin 1900 werd de Trompet door Standaart vernieuwd en de Fluit 4 voet van het bovenwerk vervangen door een Voix Céleste. 

In 1929 heeft G. van der Kley te Rotterdam achter het bovenwerk op een pneu matische kegellade een Subbas 16 voet voor het pedaal bijgeplaatst. 

Grondige restauratie 1952

In 1952 onderging het instrument een uitgebreide restauratie, uitgevoerd door de firma Leeflang naar aanwijzingen van de adviseur mr. A. Bouman. 

De voornaamste werkzaamheden waren:

De orgelkas werd 65 cm naar voren verplaatst en de zijwanden tot de muur doorgetrokken. De kas werd opnieuw geschilderd in de oorspronkelijke kleur (?). Algehele schoonmaak en herstel, restauratie van de laden, invoering van mechaniek-onderdelen, het lichter bespeelbaar maken. Een nieuwe Pedaal Koppel/II, een nieuwe tremulant, nieuwe regulateurs, waardoor een strakke windvoorziening werd verkregen. Uitbreiding van de Cornet en de Mixtuur, vervanging van de Voix Céleste door een Tertiaan 4 st. en bijplaatsing van een Dulciaan op een kantsleep. Een nieuwe electro-pneumatische lade voor de bestaande Subbas 16 en voor een nieuwe Fagot (de grootste 12 bekers van glanzend gelakt zink), waarvan afgeleid een Fluitbas 8 en een Basson 8. "Herintonatie van het pijpwerk in het oorspronkelijke Rococo­karakter", waarbij evenwel het oorspronkelijke klankkarakter werd aangetast: Vele opsneden werden verlaagd, de Praestant 8 en 4 werden meer strijkerig van klank gemaakt, etc.

 

 

 

 

 

 

 

 

RESTAURATIE 1982/1983

door de firma Gebr. van Vulpen te Utrecht.

 

Het orgel verkeerde voor de jongste restauratie in een deplorabele staat.
De traktuur was ontregeld en door torsie in de wellen was de speel aard zeer zwaar en taai geworden.
De windladen vertoonden in hevige mate door-en bijspraak, veel pijpen spraken niet of nauwelijks meer aan en bij volle akkoorden zakte de klank van het orgel weg.

Aangezien het orgel in de loop der jaren tamelijk ingrijpend was omgebouwd, was een volledige verantwoorde reconstructie van de originele staat uit 1784 niet meer mogelijk. In grote lijnen is daarom de bestaande en historisch gegroeide toestand gehandhaafd, waarbij op de hoofdwerkslade van Hess de dispositie van Hess en op de lade van het bovenwerk uit 1868 voornamelijk de daarbij behorende dispositie werd hersteld.

De electro-pneumatische pedaallade werd vervangen door een nieuwe lade met mechanische traktuur en voorzien van drie stemmen, geplaatst in een nieuwe kas achter de hoofdkas.


De restauratie omvatte ondermeer de volgende werkzaamheden:

Windvoorziening.

De bestaande magazijnbalg uit 1868 bleef gehandhaafd en werd geheel hersteld. De later aangebrachte schokbrekers werden verwijderd. Er werd een nieuw windkanaal naar het bovenwerk aangelegd, voor zover mogelijk overeenkomstig de originele situatie.

Klaviatuur en traktuur.

De aanwezige klaviatuur en traktuur bleven gehandhaafd doch werden eveneens geheel gereviseerd, waarbij de zware en taaie speelaard door o.a. het inkorten van wellen aanmerkelijk lichter kon worden gemaakt. De bakstukken naast de klavieren werden gewijzigd in een beter bijpassende vorm. De registratuur uit 1868 met de registernamen in neo-gotische stijl bleef eveneens gehandhaafd.

Orgelkas.

Al het hang-en sluitwerk werd weer goed passend gemaakt en waar nodig werden nieuwe luiken en regels aangebracht. De kas werd niet in de originele rood-mahoniehouten kleur teruggebracht.

Windladen.

De windladen van het hoofdwerk van Hess en de bovenwerklade uit 1868 werden volledig gerestaureerd. Onder de hoofdwerkslade werd een fundamentbalk aangebracht. Voor de grootste twaalf pijpen van de Bourdon 16 voet, die zich horizontaal onder de hoofdwerkslade bevinden, werd een nieuw laadje met mechanische traktuur vervaardigd naar model Kloetinge. 

Pijpwerk.

Het orgel werd terug gebracht in de 18e eeuwse kamertoon, een halve toon beneden de huidige standaard-toonhoogte. Hiertoe moest bijna al het nog aanwezige pijpwerk van Hess worden verlengd. Het pijpwerk uit 1868 op het bovenwerk, dat origineel reeds op de verhoogde toonhoogte stond, werd een halve toon verschoven om daarmede de lagere toonhoogte te bereiken.

Op het hoofdmanuaal werd de dispositie van Hess hersteld.

Als bijzonderheid moet de herstelde originele samenstelling van de Mixtuur worden vermeld: in de discant beginnend op 102/3 voet. De aanwezigheid van dit lage koor kon worden afgeleid uit nog gedeeltelijk aanwezige roostergaten en uit enkele pijpen van dit koor, die in andere registers waren "ondergedoken".

Deze thans voor Nederland volstrekt unieke Mixtuursamenstelling schijnt aan het eind van de 18e eeuw ook in Frankrijk een enkele maal te zijn voorgekomen. Het is bekend, dat Hess deze samenstelling ook in het orgel van Kloetinge (1787) heeft toegepast.

Bij de restauratie van het bovenwerk werd uitgegaan van de dispositie uit 1868. De Baardpijp 8 voet en het groot octaaf van de Viool moesten evenwel vervallen, omdat de laagste pijpen van deze registers waren vervoerd naar de ruimte die voorheen werd ingenomen door pijpen van de Bourdon 16 voet en de Cornet van het hoofdwerk. Deze registers moesten op hun originele plaatsen worden teruggezet.

Het laagste octaaf van de Viool werd nu gecombineerd met dat van de Holpijp en voor de -enigszins overtollige en niet interessant klinkende -Baardpijp kwam een Quintfluit 3 voet in de plaats, afkomstig uit het orgel van Vollenhove en vermoedelijk omstreeks 1808 vervaardigd door Freijtag.

Voor de vervaardiging van de ontbrekende Hess-registers stonden de overeenkomstige originele registers uit het Hess-orgel te Oudshoorn (1782) model.

 

 

 

 

 

Dispositie.

Hoofdmanuaal:

Praestant

vt.

1784 C t/m dis0 in het front

 

Bourdon

16 vt.

1784

 

Holpijp

vt.

1784

 

Octaaf

vt.

1784

 

Nachthoorn (cylindrisch)

vt.

1983

 

Quint

vt.

1784

 

Octaaf

vt.

1784

 

Flageolet

vt.

1784/1983

 

Cornet sterk discant

 

1784/1983

 

Mixtuur bas/disc en sterk

 

1784/1983

 

Sexquialter 2-3 sterk

 

1983

 

Trompet bas/discant

vt.

1983

 

 

 

 

Bovenwerk:

Holpijp

vt.

1784

 

Viool

vt.

1868

 

Praestant

vt.

1784/1868

 

Fluit (gedekt)

vt.

1784 bas/ 1983 discant

 

Quintfluit (conisch)

vt.

1808(?)

 

Woudfluit (conisch)

vt.

onbekend

 

 

 

 

Pedaal:

Subbas (hout)

16 vt.

1929

 

Octaafbas

vt.

1983

 

Fagot (cylindrisch)

16 vt.

1983

 

 

 

 

 

Omvang Manualen:

C -f3

Manuaalkoppel

 

Omvang Pedaal:

C –d1

Pedaal koppel

 

 

 

Tremulant bovenwerk

 

 

 

Toonhoogte: a -415 Stemming: Kirnberger

Samenstelling der vulstemmen:

Mixtuur         bas C: 2-11/3-1

disc. c': 102/3-8-51/3-4-22/3(2 laagste koren nieuw) 

Sexquialter    C: 2/3-2/5

c0: 11/3-4/5

c': 22/3- 13/5-13/5 

Cornet disc.   c': 8-4-22/3-2-13/5-11/3

(De twee hoogste koren grotendeels nieuw).

 

De restauratie werd uitgevoerd door de firma Gebr. van Vulpen te Utrecht onder auspiciën van de Orgelcommissie der Nederlandse Hervormde Kerk, waarvoor de organist Klaas Bolt als adviseur optrad.

Als rijksadviseur voor orgels was de heer O. B. Wiersma bij deze restauratie betrokken.

 

 

 

 

 

 

                                    De inhoud van deze pagina is als boekje

                                                   verkrijgbaar in de kerk.

 

 

 

 

 Organist Rien Donkersloot heeft recent een CD opgenomen op het Hess Orgel in de Oude Kerk Charlois. De CD is in de kerk te verkrijgen of via de website van Rien Donkersloot.